Schrijfopdracht n.a.v. krantenbericht

Een woord als ‘tijdmachine’ spreekt altijd tot de verbeelding.
Het onderstaande krantenartikel heeft me geïnspireerd tot het schrijven van het volgende verhaal.

Tom Weiler en Chui Man Ho van de Vanderbilt University in de VS hebben een theorie op basis waarvan ze concluderen dat de Large Hadron Collider (LHC), de reusachtige deeltjesversneller van Cern in Genève, de eerste tijdmachine kan zijn. Wanneer er in de LHC een zogenaamd Higgs-boson ontstaat – wat één van de doelen is van de LHC – dan zou er volgens de theorie tegelijkertijd een Higgs-singlet ontstaan. Zo’n deeltje is niet gebonden aan onze vier dimensies, waardoor het in een vijfde dimensie een fractie van een seconde terug of vooruit kan gaan in de tijd. Wanneer in de LHC een Higgs-singlet wordt waargenomen, dan kan dat een deeltje zijn dat terug in de tijd is gereisd naar vóór het tijdstip van de botsing waarbij het ontstond. Weiler en Ho geven toe dat het vergezocht is, maar hun theorie botst met geen enkele bekende natuurwet.

Mijn vader was één van de grootste wetenschappers van zijn tijd. Jarenlang is hij op zoek geweest naar een mogelijkheid om kleine deeltjes sneller te laten bewegen dan het licht, zodat materie zich in de tijd kan verplaatsen. Hij was er van overtuigd dat de mens op een dag naar zowel het verleden als naar de toekomst zou kunnen reizen.
Met behulp van de vele aantekeningen die hij heeft nagelaten, heb ik samen met mijn studievriend Lo Chu Yang zijn theorieën uitgewerkt. Na talloze proefnemingen is het ons gelukt om de meest opzienbarende ontdekking van de eeuw te doen. De droom van mijn vader wordt werkelijkheid en ik, zoon van deze grote leermeester, zal de eerste mens zijn die in de tijd gaat reizen!

Op de vooravond van het experiment bezoek ik mijn moeder. Het is een warme dag en we gaan op het terras achter haar woning zitten. Terwijl we koffie drinken, vertel ik het grote nieuws. Mijn moeder, die altijd veel belangstelling heeft voor mijn werk, kijkt me stralend aan. Ik weet dat ze ook bezorgd is, maar daar laat ze niets van blijken. Ze neemt een slokje van haar koffie en zegt dan met een zucht: ‘Het is jammer dat je vader dit niet kan meemaken. Hij was al zó ver met zijn onderzoek.’ Ze roert in haar kopje en staart in gedachten naar de ondergaande zon. ‘Toen hij verongelukte, was het net zo’n warme dag als vandaag. Ik haalde hem op uit het lab en opgewonden vertelde hij me dat hij bijna bij de oplossing was. Nog één, misschien twee dagen, dan zou hij het bewijs kunnen leveren dat materie sneller kan bewegen dan het licht. Helaas heeft het niet zo mogen zijn.’ Ze pakt mijn hand en drukt hem zacht. ‘In de laboratoriumtuin bloeiden pioenrozen en je vader was zo uitgelaten, dat hij ze allemaal voor me plukte.’ Ze slikt en ik zie tranen in haar ogen. ‘Het ongeluk was mijn schuld. Ik had alleen maar oog voor de rozen en zonder op te letten, stak ik de straat over. Ik hoorde het geluid van piepende remmen, je vader schreeuwde en ineens was hij vlak achter me. Hij duwde me weg van de naderende auto. Ach jongen, nog steeds hoor ik die verschrikkelijke klap en zie ik hoe je arme vader wordt weggeslingerd.’ Mijn moeder kijkt me bedroefd aan. ‘Hij heeft mijn leven gered … én dat van jou, want een paar weken later ontdekte ik dat ik in verwachting was. We hadden zo naar het ouderschap verlangd, maar ook dat heeft je vader niet mogen meemaken.’
Ik pak de hand van mijn moeder stevig vast en zeg troostend: ‘Morgen zal ik terugkeren in de tijd dat vader nog leefde en dan kunnen we elkaar eindelijk leren kennen. Het zijn vaders eigen theorieën die dit mogelijk maken. Vindt u dat niet wonderlijk, moeder?’
‘Ja jongen, dat is het zeker. Jij en je vader samen! Het is het mooiste dat me nu nog kan overkomen.’ Er breekt een glimlach door haar tranen heen. ‘Ik wil dat hij weet dat ik altijd van hem ben blijven houden.’ Ze laat mijn hand los en staat op. ‘Wil jij een glaasje wijn voor ons inschenken? Dan ga ik je vader een brief schrijven en zoek ik meteen wat jeugdfoto’s van jou op.’

Die nacht slaap ik onrustig. Als ik de volgende dag naar het laboratorium rijd, voel ik me erg gespannen.
Yang heeft alles al in gereedheid gebracht voor mijn reis in de tijd en zelfs voor kleding, geld en een paspoort gezorgd.
‘We beginnen met een kort experiment’, zegt hij. Met een injectienaald brengt hij een chip in mijn bovenarm aan. Ik ga op een gladde tafel liggen, waarboven een doorschijnende koepel hangt. Omdat we de vorige dag alles grondig hebben doorgenomen, weet ik precies wat er gaat gebeuren.
‘Ik laat je één dag terugreizen’, zegt Yang. ‘Door het tijdmechanisme in je arm zul je over tien minuten automatisch terugkeren.’ Hij drukt op een knop en langzaam daalt de koepel. Zodra deze mij geheel heeft omsloten, beginnen mijn oren te suizen. Er verschijnen felgekleurde lichtcirkels, die een doffe pijn in mijn hoofd veroorzaken.
Ineens is het voorbij en sta ik naast Yang in het laboratorium de instructies door te nemen. Het is een vreemde gewaarwording om dit voor de tweede keer mee te maken.

Tien minuten later lig ik weer op de gladde tafel. De koepel gaat omhoog en het breed grijnzende gezicht van Yang buigt zich over me heen. ‘Het is gelukt!’ juicht hij. ‘Nu komt het serieuze werk, de grote reis naar de tijd voor je geboorte.’
Ik kleed me om in het ouderwetse kostuum en stop het paspoort, het geld en het pakketje met mijn jeugdfoto’s en de brief van mijn moeder in de zakken van het jasje. Zodra ik weer op de tafel heb plaatsgenomen, geeft Yang me een kneepje in mijn schouder. ‘Groet je vader namens de wetenschap!’ zegt hij glimlachend. Ik knik en een vreemde opwinding maakt zich van me meester als hij de koepel over me heen laat zakken.
Ditmaal bezorgen de oorsuizingen me een felle pijn en de lichtcirkels lijken in mijn hoofd te exploderen, maar ik weet dat het snel voorbij zal gaan.

Het ongelofelijke is gebeurd! Ik ben veertig jaar teruggereisd in de tijd. Het laboratorium stond er toen nog niet en ik bevind me in het plantsoen van de universiteit.
Nog wat duizelig kijk ik om me heen. Een eindje verderop wandelen een paar studenten. Zodra ik me wat beter voel, loop ik naar ze toe. Ik wil weten waar ik een auto kan huren, want de woonplaats van mijn ouders ligt hier ongeveer veertig kilometer vandaan.
Eén van de studenten wijst me de weg naar de dichtstbijzijnde garage en nog geen kwartier later rijd ik in een soort collectes item de snelweg op. Ik voel me onbeschrijfelijk gelukkig en het verlangen om mijn vader te zien is sterker dan ooit.

Ik ben er bijna. Rechts zie ik een prachtige tuin met hoge bomen. Er staat een gebouwtje dat waarschijnlijk het lab van mijn vader is.
Plotseling steekt een jonge vrouw de straat over. Ik trap hard op de rem en draai razendsnel mijn stuur naar rechts.
Dan zie ik ineens een man, die de jonge vrouw voor mijn wielen wegduwt. Ik kan hem niet meer ontwijken. Er volgt een misselijkmakende, harde klap.
Terwijl de man wordt weggeslingerd, voel ik een ondraaglijke pijn in mijn hart.

Els Bomhof, november 2011.