Geen Kaartje

Geen Kaartje

 

‘Mag ik hier plaatsnemen?’ vroeg de vrouw aan een jongeman met stekeltjeshaar.
‘Natuurlijk!’ zei hij vriendelijk. Ze ging naast hem op de bank zitten en keek wat nerveus het gangpad in. Terwijl de trein begon te rijden, vroeg ze: ‘Weet jij misschien waar de conducteur is? Ik heb geen kaartje.’
Een al wat oudere, gezette heer die schuin tegenover haar zat, keek haar met opgetrokken wenkbrauwen over de rand van zijn krant aan. ‘Dat wordt dus een boete’, zei hij met een sarcastisch lachje. De jongen met het stekeltjeshaar wierp hem een nijdige blik toe. ‘Ja, daar zijn ze tegenwoordig snel mee, je kunt in de trein niet eens meer een kaartje kopen.’
‘En terecht!’ zei de gezette heer. ‘Zo pakken ze die zwartrijders eindelijk eens goed aan.’
‘Maar er worden ook veel brave reizigers de dupe van dit systeem’, diende de jongen hem van repliek. Hij vond dat de man veel weg had van een dikke pad.
‘Je moet gewoon zorgen dat je zaakjes in orde zijn.’ Voor de pad was hiermee alles gezegd. Hij boog zich weer over zijn krant en las verder.
‘Ik ben taxichauffeur,’ legde de vrouw uit, ‘en vanochtend moest ik twee oude mensen naar het station in Lage Zwaluw brengen. Ze hadden een grote koffer bij zich en op dat kleine station is er helemaal niemand om te helpen. Officieel mag ik mijn passagiers niet naar het perron brengen, maar ik zag die twee ouwetjes zó worstelen met die grote koffer, dat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen om zomaar weg te rijden. Ik heb ze even in de trein geholpen en hun koffer naar binnen gesjouwd. Toen ik uit wilde stappen, klapten verdorie de deuren vlak voor mijn neus dicht! Ik ben in Dordrecht overgestapt en daar zit ik dan weer, zónder kaartje.’
‘Dát kaartje had u dan in Dordrecht kunnen kopen, nietwaar?’ klonk het vanachter de krant.
Met een diepe zucht antwoordde de vrouw: ‘Ik heb mijn tas met alle papieren en mijn portemonnee in de taxi laten liggen. Alleen de autosleutels heb ik bij me.’
‘Niet erg verstandig,’ zei de man smalend, ‘maar hopelijk bezat u nog voldoende tegenwoordigheid van geest om de taxi op slot te doen.’
De jongen met het stekeltjeshaar had veel zin om een flinke trap te geven tegen de krant van die arrogante pad. In plaats daarvan zei hij: ‘Ziet u wel, er kan een heel goede reden zijn om zonder kaartje in de trein te zitten. Niet iedereen is een potentiële zwartrijder!’
‘Goede reden?’ lachte de pad schamper. ‘Ach jongeman, gelooft u nu werkelijk dat een verstandig denkende conducteur daar in zal trappen? Ze horen wel gekkere verhalen.’
‘Ik hoop écht voor u dat er geen conducteur komt,’ zei de jongen tegen de vrouw, ‘want medemenselijkheid moet worden beloond en niet bestraft! Jammer dat het oude systeem niet meer bestaat. Dan had ik hier in de trein wel een kaartje voor u willen kopen. Nu bent u meteen verplicht om ook de boete van 35 euro te betalen en dat is een hoop geld voor zo’n kort ritje.’De vrouw knikte. ‘Ja, ik ben bang dat ik daar niet onderuit kom en straks zwaait er ook nog wat voor me, want mijn baas zal beslist niet blij zijn met mijn actie.’ Haar blik gleed naar de jonge donkerharige man die tegenover haar zat en die het gesprek zwijgend en met een vage glimlach had gevolgd. Stekeltjeshaar keek ook naar hem. Hij had de man, samen met die zwartgallige pad, in Rotterdam zien instappen en hij had ze meteen al een vreemd stel gevonden.
Ineens boog de donkerharige man zich naar de pad en wierp over diens schouder een blik in de krant. ‘Nog nieuws over de beurs?’ vroeg hij met een zachte melodieuze stem.
‘Doe me een lol, Pepijn en hijg niet zo in mijn oor!’ zei de pad.
Met een glimlachje stond de man op. Hij liep naar het gangpad en in het voorbijgaan stopte hij bijna onmerkbaar iets in de hand van de vrouw. Stomverbaasd staarde ze naar het treinkaartje. Het was een enkele reis Rotterdam/Antwerpen. Toen ze haar hoofd weer oprichtte, was de man verdwenen.
‘Medemenselijkheid wordt blijkbaar tóch beloond’, fluisterde stekeltjeshaar en hij legde zijn wijsvinger tegen zijn lippen.

‘Goedemorgen, uw kaartjes alstublieft!’
Stekeltjeshaar en de vrouw hielden hun treinkaartjes omhoog en de conducteur knikte hen vriendelijk toe. Daarna richtte hij zijn blik op de pad, die met zijn hand in de linkerzak van zijn jasje tastte. Verstoord voelde hij in zijn rechterzak en nogmaals in de linker. ‘Merkwaardig,’ mompelde hij, ‘ik weet toch zeker dat ik het in mijn zak heb gestopt.’ Hij stond op en gooide geërgerd zijn krant op de bank. Hierna zocht hij verwoed al zijn zakken na. ‘Hoogstwaarschijnlijk heeft Pepijn mijn kaartje’, zei hij. De conducteur keek hem zwijgend aan. ‘Hij is mijn cliënt’, verduidelijkte de pad. ‘Mijn naam is Verstraete! Dé Adrianus Verstraete, directeur van het bekende artiestenbureau Leering ende Vermaack.’ Hij kuchte even. ‘Mijn cliënt en ik reizen samen naar de jaarlijkse evenementenbeurs in Antwerpen. Ik denk dat hij momenteel op het toilet verblijft. Laten we maar even op hem wachten’, hij zal zo wel terugkomen.’ Na deze woorden pakte de pad zijn krant op en ging weer zitten.
‘Het spijt me mijnheer, maar ik heb niet de hele dag de tijd’, zei de conducteur terwijl hij zijn boekje tevoorschijn haalde. ‘Als u geen kaartje heeft, zal ik er één voor u uitschrijven. U kunt het bedrag later overmaken, plus natuurlijk de boete van 35 euro!’
De mond van de pad viel open en zijn gezicht liep rood aan. Plotseling wees hij met een priemende vinger naar de vrouw. ‘Net had u nog geen kaartje en nu ineens wel, leg me dat eens uit!’ De vrouw keek met een bezorgde blik naar stekeltjeshaar, die een grimas trok en luchtig zijn schouders ophaalde. ‘Waar doelt u precies op, mijnheer?’ vroeg hij onschuldig.
‘Waar ik op doel? Waar ik op doel? Dat ik bestolen ben, dát bedoel ik!’ schreeuwde de pad, zich bijna verslikkend in zijn eigen speeksel.
‘Ach mijnheer, gelooft u werkelijk dat een verstandig denkende conducteur daarin zal trappen?’ merkte stekeltjeshaar fijntjes op. ‘Hij hoort wel gekkere verhalen!’
De conducteur had intussen een bon uitgeschreven. ‘Als u het er niet mee eens bent, dan kunt u altijd nog in hoger beroep gaan’, zei hij rustig. Hij hield het formulier omhoog en met opeengeklemde kaken griste de pad het uit zijn hand.

‘Dames en heren, we naderen station Lage Zwaluw!’
‘Ik moet er hier ook uit’, zei stekeltjeshaar tegen de vrouw. Hij richtte zich met een brede grijns tot de pad. ‘Nog een heel prettige voortzetting van uw reis, mijnheer!’ Er kwam geen antwoord. De pad zat verscholen achter de krant en alleen zijn lichttrillende handen met de spierwitte knokkels waren zichtbaar. De twee anderen keken elkaar aan en stikkend van de lach renden ze naar de uitgang.
Ze hadden nog maar een paar meter over het perron gelopen, toen de vrouw abrupt stilstond. ‘Oh néé, dit kan niet wáár zijn!’
‘Wat is er?’ vroeg stekeltjeshaar geschrokken.
‘De sleutels van de taxi! Ze zaten net nog in mijn jaszak. Oh shit, shit!’
Op dat moment vloog er iets door de lucht. Met een harde tik kwam het vlak voor hun voeten terecht. Verbluft keken ze allebei naar de sleutelbos en tegelijkertijd draaiden ze zich om naar de trein. In de deuropening stond de donkere man.
‘Wie bent u eigenlijk?’ riep de vrouw.
‘Mijn naam is Pepijn’, antwoordde hij met een lichte buiging. ‘Goochelaar en illusionist van beroep.’
Nog even zagen stekeltjeshaar en de vrouw hoe er een vaag glimlachje rond de lippen van de man speelde, toen schoven de deuren dicht en de trein zette zich langzaam in beweging.

Els Bomhof, april 2011.